De Strijd

Gepresenteerd door Erik Dijkstra en Gerdi Verbeet

Vanaf 9 juni elke werkdag om 16.10 uur NPO 1

Tegen onrecht moet je strijden, nietwaar?

Bevindingen van een assistent-archivaris

ankersmit

Herman Kamphuis

Werkgever: Ankersmit's Textielfabrieken N.V., gevestigd aan de Lange Zandstraat te Deventer. De datum waarop ik in dienst trad was 31 augustus 1964. Aan mijn dienstverband kwam een einde op 6 februari 1966 door faillissement van het bedrijf. Toen ik op sollicitatiegesprek ging (aanleiding was een annonce in het Deventer' Dagblad) was ik vijftien jaar. Ik zat toen nog op de school voor VGLO, op de hoek van de Zwolscheweg en de Schoolstraat. Vier dagen na mijn zestiende verjaardag trad ik in dienst voor veertig uur per week. Twee maal daags maakte ik een postbezorgronde door het kantoor en de fabriek. Uitvalsbasis was de postkamer, die zich met het archief op de eerste etage van het nieuwbouwkantoor bevond. Het archief bevatte, in mijn herinnering,  uitsluitend  kantoorbenodigdheden. (...) De te bezorgen post was bestemd voor de afdelingschefs en zat in mappen met het betreffende postbaknummer. Voor aanvang van de vaste looproute werden de mappen op volgorde gelegd. De duur van een route door de fabriek kon oplopen tot anderhalf uur, het kantoor vergde hooguit een half uur. In de tussenliggende tijd behandelde ik de postverzending, hield de archiefvoorraad op orde en verrichtte voorkomende werkzaamheden. Wekelijks werden door de portiers de stempelklokkaarten van het fabriekspersoneel vervangen. De nieuwe kaarten werden door mij van naam, afdelings- en personeelsnummer voorzien. Dit gebeurde door middel van blikken ponsplaatjes in een handmatig bediend stempelapparaat, meer dan 1200 klokkaarten per week. Veranderingen in het personeelsbestand kreeg ik door van afd.  personeelszaken. Nieuwe naamplaatjes werden, via de afd. inkoop, besteld bij Blikman & Sartorius. In deze periode was er een opvallend grote instroom van Turkse werklieden. Zij werden met name te werk gesteld in de harssmelterij en de blauwververij. Nederlanders werkten daar nauwelijks. Het was vreselijk ongezond werk. Als de Turkse arbeiders de poort uitliepen zag je hun poriën als indigo speldenprikken op de huid. In de harssmelterij stonden arbeiders op  klompen met spaden de hete, gesmolten hars te mengen. Al van verre rook je de giftige dampen. Van maskers, filters of beschermende kleding was geen sprake. 

(…)

Met een piepschuimen doos onder de snelbinders fietste ik iedere ochtend naar de Polstraat. In een zich aldaar bevindend woonhuis waren timmerlieden van Ankersmit aan het werk. Het pand moest een pension worden voor Turkse gastarbeiders. In het piepschuim was een mal gesneden waarin naadloos een kan hete koffie, bestemd voor dorstige timmerlieden, paste.

Ankersmit bezat in de nabijheid van de fabriek (o.a. aan de Korte Zandstraat) een aantal woningen die werden verhuurd aan personeelsleden. Bij een aantal, meestal gepensioneerde werknemers, moest ik wekelijks de huur innen. Het waren over het algemeen schamele onderkomens. Ik herinner me weekhuren vanaf acht gulden.

Toen ik in dienst trad waren sommige fabrieksruimten al onttakeld. De ventilatoren en, als je geluk had, een machineonderdeel functioneerden soms nog. Spannend was het moment dat je een hendel overhaalde of een knop indrukte. Rode lampen begonnen te knipperen, vanuit onverwachte hoek zette zich, aanvankelijk aarzelend, de machinerie in beweging om daarna in angstaanjagend razen uit te barsten. In de lege hal was de resonantie overweldigend. Het mooist was wanneer machineonderdelen begonnen te bewegen en de geluiden van krassen en wringen van staal op staal zich mengden met het pandemonium. Mijn eerste kennismaking met kunstenaar Jean Tinguely.

 

tinguely

Tegen onrecht moet je strijden

De bekendmaking van de sluiting van de fabriek vond plaats in de twee kantines. Ik herinner me de de ernst op de gezichten van de arbeiders, soms vaders en zonen, en de loden stilte toen een lid van de directie meedeelde: “Voor het in de pers komt, willen wij het eerst u vertellen.” De impact van het bericht was enorm. Volwassen mannen barstten in tranen uit. Ik herinner me dat ik naar buiten keek en, door het draadglas, het bleke daglicht zag. De intense weemoed die me overviel, waarvoor ik weerloos was.   

Niet lang hierna verschenen actievoerders aan de poort. Het waren communisten, agerend tegen de fabriekssluiting die, volgens hen, het gevolg was van gemarchandeer van het grootkapitaal over de ruggen van de arbeiders en riepen op tot een staking. Ik sympathiseerde met deze zienswijze, ondanks dat ik van politiek niet meer afwist dan hetgeen mijn ouders mij hadden geleerd over 'de roden, het soort mensen waar je niet mee omging, die niet tot onze groep behoorden.'  Toen men mij, ik begon juist aan een postronde door de fabriek, een stapel pamfletten in de hand drukte met het verzoek deze te verspreiden, weifelde ik niet. Tegen onrecht moet je strijden, nietwaar. Daar dachten sommige arbeiders en bijna alle afdelingschefs anders over. Al na een kwartier werd me woedend nageroepen: “Vuile communist, rot op met die rooie rotzooi, ophitser!” Kort hierop werd ik staande gehouden door juffrouw Smit van de bibliotheek. Ze was opgebeld door meneer H.J. Ankersmit persoonlijk. Ik moest me per omgaande bij de directie melden. In het directiekantoor zat de staf in vergadering bijeen, inclusief procuratiehouder en personeelszaken. Toen ik, na aangeklopt te hebben, in de deuropening verscheen staakten de stemmen abrupt. Als één man staarde men in mijn richting. Tot meneer Hendrik Jan, na een minuut stilte, zijn keel schraapte en vroeg: “Wat denk jij dat je aan het doen bent, Kamphuis?”

Ik heb het overleefd, twee maanden later ben ik afgevloeid; op natuurlijke wijze.